Vóór het eind van de oorlog bereikte hem van het neutraal gebleven Holland uit het bericht, dat zijn vader gestorven was. Zijn moeder zelf schreef het hem, in een bevend handschrift, dat hem eraan herinnerde ,dat ook zij oud was geworden. „Vader was gewoon maar ingeslapen/' schreef ze, „en ik hoop, dat ook mij dat gegeven mag worden.” Het werd haar gegeven, een half jaar later al. Het was ook niet denkbaar: zij voortleven zonder hem; dat had God zeker ook zo gevonden.
Toen bleef er heel weinig meer, dat Dina en Joseph met Holland verbond: de korte correspondentie met Lina over moeders dood ebde vanzelf weg, en met Dina’s vader was er alleen een uitwisseling van vriendelijke wensen op daartoe bestemde data. Door vakgenoten liet Joseph zich op de hoogte houden van zijn beroep; dat was alles. De ogenblikken van heimwee naar het vroegere leven werden zeldzaam; in de herfst konden ze nog wel eens tegen elkaar zeggen, dat nu de hei in Holland bloeide en dat de goud-reinetten rijp waren, - aan een groep overtrekkende ooievaars in de lente kon Dina in gedachten een groet meegeven, - in de winter kon ze Chaia, die het zich niet herinnerde, van sneeuw en ijs vertellen, - in de genadeloze hitte van de zomer lachten ze samen om hun vroegere teleurstelling om verregende zomerdagen, - maar dat was alles: flitsen van een vorige wereld, die geen verlangen meer opwekten.
177