Wij dreigen vastgezogen te worden in de kluiten aarde.”
Waar had hij het eigenlijk over? Was het punt op de agenda niet geweest de toelating - al of niet - van Derkovsky? Maar niemand vond de weg naar het punt op de agenda terug, eer Joseph zelf, plotseling afbrekend, met de glimlach van de ontdekking op het gezicht, riep:
„Ik heb het! Al die dagen heb ik gezocht naar het werk, dat hij zou kunnen leren! Nu weet ik het. In de zuivelkamer.”
De overgang was werkelijk te snel; ze konden het niet volgen. Alleen het meisje, dat de laatste tijd zelf in de zuivelkamer had gewerkt, vaatwerk pijnlijk schoon had gehouden, kannen had geheven om melk te gieten, centrifuge had behandeld en produkten had afgeleverd, zat proevend al haar dagelijkse handelingen na te gaan. Ze had de ogen dicht, om blind de zuivelkamer te betreden en in haar gedachten zonder ogen ieder ding aan te raken.
„Hoe zal hij weten of het werkelijk schoon is?” was het eerst wat ze vroeg.
„Hij zal doorgaan met schoonmaken, tot het schoner is dan wij, misleid door onze ogen, het kunnen maken.”
„Hoe zal hij de dingen kunnen vinden?”
„Alles heeft zijn plaats.”
„Hoe zal hij temperatuur kunnen aflezen?”
172