zou voor hen beiden kunnen werken, - voor hen drieën, want de eerste jaren is ook hun zoon geen plus in ons werk, zoals geen van onze kinderen nog een plus is in ons werk en alleen maar een belegging voor de toekomst.”
Hij wachtte even, het voorhoofd gefronst in geconcentreerd zoeken.
„Zelfs al zou hij niet kunnen werken, - maar hij zal kunnen werken, - dan nog zou ook hij een belegging betekenen voor de toekomst. Dat geloof jij niet,” hij wendde zich tot de volwassen jongen, die gesproken had, - „omdat jij, net als wij allen, door de dagelijkse noodzaak alleen oog hebt overgehouden voor de tastbare resultaten. Je bent anders geweest, toen je hierheen kwam; we zijn allemaal anders geweest en we dreigen het te vergeten.”
Ze zochten, zichtbaar, in hun herinnering naar dat andere. In sommige ogen daagde iets van herkenning, en Joseph, zijn waarnemingszintuigen wijd open, merkte het. Hij sprak niet meer over de blinde, maar over de vergetelheid, waarin hijzelf en zijn makkers al lang dreigden te verzinken door de eisen, die iedere nieuwe dag aan hen stelde.
„Wie het werk van de handen vergeet, blijft ergens in de lucht zweven en kan zijn voeten niet neerplanten op de kluiten aarde. Maar wie vergeet, waar het om begonnen is, kan zijn voeten niet los trekken uit de kluiten aarde en kan zich nooit meer vrij verheffen.
171