„Elchanan,” zei hij, de naam, die het kind toen gekregen had, uit een vergeten verte te voorschijn halend.
„Ja,” knikte het kind verheugd, „ik heet Elchanan.”
Joseph durfde, in dit kamp vol ziekte en dood, niet naar de moeder van de jongen en naar Chaia te vragen. De blinde voelde zijn onuitgesproken vraag en zei:
„Mijn vrouw helpt in het kamp.”
„Goddank,” liet Joseph zich ontvallen. De blinde glimlachte.
„En mijn dochter Chaia woont in Jeruzalem en hoefde niet weg met man en kind.”
„.. .en kind,” zei Joseph hem met domme verbazing na. Hij had gedacht, dat de tijd sindsdien stil was blijven staan. Hij was het geweest, die het geheim van geboorte in tastbare werkelijkheid voor haar had ontsloten, en nu was het aan haarzelf voltrokken en het was geen geheim meer geweest.
Hij wilde alles weten: wanneer Derkovsky naar Palestina was gekomen, - anderhalf jaar vóór hem, -waar ze geleefd hadden tot hun evacuatie, hoe het hun ging.
„We hadden het goed. We woonden in de nieuwe stad naast Jaffa, Tel Aviv, en ik maakte met mijn handen mooie dingen, - ik voelde dat ze mooi waren en mijn vrouw zag het, - en we hadden een kleine winkel
167