Met vooruitgestoken handen kwam de blinde op hem toe.
„Mijn broeder.”
Hoe was het toch mogelijk, dat in dit kamp, vol ontbering en ziekte en dood, in deze tent zonder licht en zonder huiselijkheid, een ogenblik van zó grote vreugde kon binnentreden! De jongen, verbaasd opkijkend van zijn boek, zag de handen van zijn vader krachtig liggen op de schouders van de dokter, die hij alleen maar als dokter kende en niet als vriend van zijn vader.
„Jij bent het, die me hierheen hebt gebracht,” hoorde hij de dokter zeggen. „Jij hebt me de weg gewezen, - negen jaar geleden.”
„Hier is mijn zoon, die toen met jouw hulp geboren is.”
De jongen begon te begrijpen: talloze malen had hij het verhaal van zijn geboorte op de grens van Nederland gehoord, en nu werd het opeens werkelijkheid voor hem. Hij legde het boek neer en stond op, - niet om iets tegen Joseph te zeggen, want dat durfde hij niet, maar om te laten zien hoe groot hij was. Onbewust deed hij dat; deze dokter en het pasgeboren kind, dat hij eens geweest was, hadden iets met elkaar te maken, en nu toonde hij de lange negenjarige jongen, die uit de pasgeborene gegroeid was. Joseph ontmoette de heldere, vragende blik van de jongen en voelde zich vreemd geroerd.
166