ge betekenis was er voor hen in het niet-afscheren van de haardhoeken. Maar een blik op Josephs ernstig, gesloten gezicht was genoeg om het protest tot in hun hart het zwijgen op te leggen. Hijzelf zorgde voor het verbranden van al, wat aan vlek-typhus-overbrengende luizen herinnerde. Hij activeerde elk van de volwassen kampbewoners, die nog of weer gezond was en die begrip toonde voor het doel van zijn maatregelen. Dankbare, toegewijde helpers omgaven hem, sommigen alleen maar kinder-lijk-volgzaam, anderen met eigen geestdrift voor wat ze ontdekten de enige uitkomst te zijn.
Tent na tent ging hij binnen, waar hij geroepen en waar hij niet geroepen was: om de toestand in de tent op te nemen, om met rustige nadruk het bevel van haar-afknippen mee te delen en zo nodig uit te leggen, en om hulpkrachten te recruteren. Zo kwam hij een dag een tent binnen, waar een man, met langzame bewegingen, bezig was de zeldzaam ordelijke woonruimte schoon te maken en waar een jongen van een jaar of negen in het schaarse licht een stukgelezen boek bekeek. De man keerde zich luisterend om, toen Joseph het neerhangende zeildoek van de ingang oplichtte.
„Wie is daar?” vroeg de man, en zijn stem deed opeens in Joseph iets opspringen, iets van herkenning en grote vreugde.
„Ik ben het!” riep hij. „Ken je mijn stem niet?”
165