Dina werd even wakker.
„Hoe was het?” vroeg ze vaag.
„Een koe-kalf. Net wat we hoopten: Jaël een zoon en Rachab een dochter.”
En innig-tevreden:
„Er wordt hier maar geboren of het niets is!” Dina was alweer weggezeild, toen Joseph, iets te luid naast een slapende vrouw die nachtwacht had gehouden zei:
„Zeventien kilo woog me die knaap!”
Nu schrok Dina toch omhoog.
„Zeventien kilo? Van Jaël?”
„Nee,” lachte hij, „van Rachab!”
„Ik kan het niet bijhouden,” mokte Dina. „Je zei knaap. Ik dacht dat het een koe-kalf was.”
„Slaap jij maar,” suste hij. „In Holland zou zo eentje twee-en-twintig kilo gewogen hebben. We moeten zien te kruisen.”
„Heb je helemaal geen slaap?” vroeg Dina verwijtend.
„Eigenlijk wel,” zei hij, wat verbaasd, en zonder overgang sliep hij in.
Dina, nu grondig wakker, lag naar zijn afgewende kop te kijken en wist niet, waarom die twee geboorten, die haar niets aan gingen, haar zo gelukkig maakten.
160