Rachab stond op kalven; hij had wel gedacht, dat het niet glad zou gaan.
„Jij hebt zo’n goeie greep,” voegde de stem er half verontschuldigend aan toe.
„Ja,” zei Joseph, en als een mechanische, bijnavergeten formule voegde hij er in het Hollands aan toe: „Ik kom.”
Hij trok zijn werkkleren aan en Dina, half-wakker, vroeg:
„Ben je niet doodmoe?”
„Ik heb vroeger wel andere nachten gekend,” zei hij, en Dina herkende de klank van voldoening erin en draaide zich tevreden naar de muur om verder te slapen.
De koele, schemerige koestal was wel heel verschillend van de hut in de nacht, maar toch was er de atmosfeer van de kraamkamer: de spanning, de actieve afwachting, de concentratie rondom die éne, die nieuw leven schiep en er moeilijk van scheidde. De helpers zuchtten verlicht, toen ze Joseph de koestal zagen binnenkomen: Rachab had zwaar gedragen en ze was maar een kleine Arabische koe, die de doortocht aan haar kalf met moeite verleende. Soms loeide ze klagend op, maar gewillig liet ze zich be-doen door de handen die ze van dagelijkse aanraking kende. Er gingen uren voorbij, uren van barens-arbeid voor Rachab en voor de werkers, eer de stokkerige voorpootjes zichtbaar werden. Met een er-158