een straling in zijn ogen, alsof er iets heel goeds met hem was gebeurd, zo iets goeds als een kind krijgen. Even had ze er spijt van, dat hij niet helemaal dokter was gebleven, als hij zó van zijn vak hield. Maar van de koestal hield hij ook.
Hij at met onwaarschijnlijke eetlust en snelheid en sprak niet veel meer, maar de lach week niet van zijn ogen.
Toen Dina en hij zich later uitstrekten om de dag-rust te genieten na de werknacht, zei Joseph:
„Ik heb niet geweten, dat ik zó naar vroeger terug verlangde.”
„Wil je terug?” vroeg Dina.
„Terug?” - hij lachte hardop, - „niet voor alles wat de wereld me te geven heeft.”
„Hoe kun je dan naar vroeger terug verlangen?” vroeg Dina, maar ze wist wel beter.
„Het terug verlangen is één van de goede dingen, die ik hier gekregen heb. Eén van de vele goede dingen.”
Ze keerden zich om en zouden zeker uren aaneen geslapen hebben, als niet na een kwartier een stevige klop op de deur hen beiden had gewekt.
„Ja?” vroeg Joseph, met het oude dokters-instinct van de weinig betrouwbare nachtrust.
„Joseph,” zei een mannenstem, „kun je ons komen helpen? Rachab is begonnen en ze heeft het zwaar.” „Rachab?” Hij moest zich even bezinnen. Ja,
157