de geluiden van buitenaf hadden een slaperige regelmaat.
Voetstappen gingen langs het huis: de wachter zeker, die zijn ronde deed over het hele terrein. Nee, -hij naderde het open venster, dat door metaalgaas de muskieten en nachtdieren buiten Meld. Het was Joseph, die zacht haar naam riep. Ze stond langzaam op en ging naar het venster.
„Is er een zieke?” vroeg ze.
„Nee, geen zieke: een bevalling.”
„Kan ze niet meer naar de stad vervoerd worden?” „Zij wel, - zó ver is het nog niet, - maar de wegen zijn te onveilig. Nu doe ik het hier.”
Haar geoefend oor hoorde duidelijk, dat er plezier in zijn fluistering doorklonk.
„Blij dat je weer eens een bevalling hebt?”
Het licht van de lamp drong nauwelijks tot buiten het gaas door, maar toch zag ze zijn brede, jongensachtige lach.
„Zo ouwerwets. Alsof ik met een boerenkar naar een hofstede gehaald word.”
Ze stak met een onwillekeurige beweging haar hand uit om hem aan te raken, maar het gaas was er tussen.
„Geef me een zoen eer ik aan ’t werk ga,” zei hij. „Het gaas,” wees ze. „En bovendien pap ik niet met iedereen aan die hier langs komt.”
„Ik ga niet zonder zoen. Kom naar buiten.”
154