van het huis, dat het zijne was en trachtte binnen iets te onderscheiden, in een vreemde angst voor wat hij vinden zou. Hij hoorde een hese kinderstem zachtjes klagen; hij zag, in het licht van de petroleumlamp, een schaduw bewegen: Dina’s schaduw. Toen klopte hij op de deur, maar niemand kwam.
„Ik ben het!” riep hij. „Ik ben het, Dina! Maak open!”
Er kletterde iets op de stenen vloer; er renden voetstappen naar de deur, die openging. Een schim strekte de armen uit, en een stem, onherkenbaar omdat voor ’t eerst iedere beheersing ontbrak, snerpte: „Joseph! Joseph! Joseph!”
Hij ving haar op eer ze, schemerig bleek, machteloos weggleed.