schap begerig in zich opnam, op een houten bank gezeten tussen twee Arabieren, van wie de één de fez met sneeuwwit neteldoek omwikkeld had ten teken, dat hij Mekka had bezocht, en de ander zijn felle ogen in het verweerde gezicht van onder de witte burnous niet afliet van de jonge, gesluierde vrouw, wier zwaar-geborduurde, gloeiend-gekleurde kleed een nieuw-gekochte bruid deed vermoeden. Veertien uur maar, en in de avond, nog voor middernacht, had hij Haifa al bereikt. Het was waarlijk een voorspoedige reis.
Toen men hem raadde, een dag te wachten, tot een kustbootje de reizigers voor JafFa langs de kust zou vervoeren, viel het hem moeilijk, zich in het oriëntaalse tempo te schikken, - maar veel kansen op andere, vluggere wijze van vervoer waren er niet en zo leerde hij in één dag de grijze stad aan de voet van de Karmel liefhebben, die zich spiegelt in de azuren baai en die verstandhoudings-blikken uitzendt naar bergen van West-Galilea, tot waar de Libanon zich vaag tegen de hemel aftekent. Was zijn ongeduld er niet geweest om Dina te bereiken, het zou een dag van diep genot zijn geweest.
Het bootje, hobbelend op de al wat onrustige zee, moest onderweg op adem komen; het liet zijn anker vallen vóór Tantura, en op ezelruggen beklommen de tot geduld gedwongen opvarenden de Karmel-keten, om in Zichron een korte nachtrust te zoeken. Joseph,
149