hij vrouw en kinderen kon gaan afhalen, want dat de vergadering positief had besloten.
„Ik reis morgen,” was alles wat Joseph antwoordde.
„Hoe?” vroeg Gid’on nuchter.
„Ik vind wel een gelegenheid.”
„Als je twee dagen wacht, passeert de trein uit Mekka het station in Tsemach, op weg naar Haifa. We brengen je met de ezelwagen naar Tsemach; dat is dichtbij. Wees verstandig.”
Joseph keek verrast op bij de persoonlijke klank in Gid’ons stem. Twee dagen wachten? Maar een treinreis was vlugger...
„We willen je al niet meer missen,” voegde Gid’on er ter verklaring aan toe. En dat was alles.
*
Eén uur maar duurde de reis in de ezelwagen naar het kleine, schaduwloze huisje in Tsemach, dat station heette; drie uur maar duurde het wachten in de felle zon, zonder lotgenoot en alleen in gezelschap van de schilderachtige Arabier, die het huisje bewoonde en die in veel Arabisch, een beetje Hebreeuws en een expressieve aanvulling van gebaren met Joseph van gedachten probeerde te wisselen; tien uur maar duurde de aarzelende tocht van de amechtige trein, waarin Joseph het wisselende land-148