bracht Josephs brief te voorschijn. „Vergeten! Er was ook zo veel... ’
Joseph, in de kibboets al bekend om zijn Hollandse gelijkmatigheid, werd spierwit. Hij greep Arjeh bij de schouders, vloekte in ’t Hollands, schudde hem dooreen en stamelde schor:
„Vergeten! Weet je wat je vergeten hebt?” Anderen, geschrokken van de bij hem onverwachte uitbarsting, maakten zijn greep los, sussend. Hij liet zijn handen opeens slap neerhangen, slikte, en zei, met diezelfde hese stem:
„Anderhalve maand heeft ze niets gehoord. Ze denkt dat ik dood ben.”
Hij zag Gid’on tussen de anderen staan en zei:
„Anderhalve maand is genoeg. Vanavond moet er vergadering zijn en morgen vertrek ik.”
„De vergadering zou overmorgenavond zijn,” begon Gid’on, toch met wat aarzeling.
„Vanavond,” zei Joseph en ging met zware schreden naar zijn tent.
Op het spreekuur, vroeg in de avond, concentreerde hij zich als gewoonlijk op de patiënten, die hem wat vragend en angstig aanzagen. Ze hadden in de eetzaal de aankondiging gelezen, dat vanavond ledenvergadering was en dat het geval Joseph het eerste punt op de agenda zou zijn. Wat later op de avond kwam Gid’on naar hem toe en deelde mee, dat
i47