Vief weken was hij nu hier; hij vroeg Gid’on, zijn geval voor de vergadering van leden te brengen, opdat hij, als ze hem en zijn gezin wilden aanvaarden, naar Jeruzalem kon reizen om vrouw en kinderen hierheen te halen.
„Kun je ze niet alleen laten overkomen?” vroeg Gid’on, met de koppige beperktheid van één, voor wie het belang van deze gemeenschap het enig geldende was. „Je kunt moeilijk hier gemist worden, -in de stal niet en op het spreekuur niet.”
Joseph lachte.
„Zeer vereerd, dat ik niet gemist kan worden. Maar ik kan ze niet alleen laten overkomen, - dat weet je zelf wel. En bovendien: hoe kan ik het haar laten weten? Ik weet niet eens, of ze mijn beide brieven heeft gekregen.”
„Wacht tot Arjeh terug komt. Die heeft misschien antwoord bij zich, en hij moet wel één dezer dagen hier zijn.”
Eén dezer dagen betekende nog een week, waarin Joseph, ongeduldig nu, zich in het uitstel schikte. Toen kwam Arjeh terug, uitgepul: na een moeilijke tocht, maar dadelijk omstuwd door de makkers en bijna niet te bereiken. Toen Joseph hem eindelijk te pakken kreeg, vroeg hij dadelijk:
„Heb je haar gevonden?”
„Haar... Wie... ?” - en met een verschrikt gebaar greep hij in zijn tas, grabbelde er wat in rond en 146