Later zou hij de brief schrijven, die over een week of wat misschien wel door iemand mee naar Jeruzalem zou worden genomen en waar hij misschien zelfs antwoord op kon krijgen. Hij schreef zo direct, alsof ze morgen de brief zou ontvangen; hij zei haar, met volle overtuiging, dat ze hier zeker wortel zouden schieten en gelukkig zouden zijn. Maar toen hij opstond, moe en stijf van de zware werkdag en van het ingespannen schrijven bij het zwakke petroleumlicht, bezweet van de hitte in deze beperkte ruimte en in deze diepgelegen streek, een hitte, die zelfs ’s nachts niet afliet, - toen had hij een ogenblik een visioen van een breed, veilig-bevestigd doktershuis in een bloeiend dorp, van oude beuken en beladen appelbomen, van een marmeren keukenvloer en een blin-kend-koperen pomp.
Buiten, op weg naar zijn tent, onder de wemeling van sterren, zag hij het gedegen beeld vervagen voor de dynamische werkelijkheid, die hem omgaf: jong-geplante cypressen, recht en dun en steil, - oneffen, moeilijk-begaanbare grond vol distels, - verspreide tenten en hutten, - op kleine afstand een zacht, tevreden geloei van een koe, - en verder af een staag, ononderbroken ruisen: de Jordaan, die de brede schoot van het Meer van Tiberias verlaten had voor een eigen, bewogener tocht naar onvermoede verten.
*
141