warm, maar moeheid en warmte vergetend, in een hoek van de eetzaal te praten met de man, die Gid’on heette en die hij ook dadelijk Gid’on moest noemen. „Ik wil hier blijven, met vrouw en twee kinderen.” „Hoe weet je dat?”
„Ik weet het.”
„Wat was tot nu toe je werk?”
„Dokter.”
„We kunnen wel een dokter gebruiken, maar we zijn te gezond om je hele dagen werk te geven.”
Het beste, - zijn heimelijke trots, - had Joseph achtergehouden.
„Ik heb leren melken. Ik kan in de koestal werken.” De ander keek hem aandachtig aan.
„Kun je dat? Kun je het goed?'
„De boer zei van wel.”
„Als dat waar is, - en ik geloof waarachtig dat het waar is, - is het een goede combinatie: dokter en raftan.”
Even later:
„Wat kan je vrouw?”
„Alles wat ieder meisje hier kan.”
„Goed, - ik zal de vergadering voorstellen, dat je een maand hier op proef blijft.”
„Een maand?”
Hij dacht aan Dina, alleen met de kinderen in het stenen hol, dat hun huis was, en schrok. De ander zag het.
138