Later zou Joseph ervaren, dat de eetzaal het hart was van deze samenleving, - dat de gemeenschappelijke zorgen en vreugden daar werden beleefd, - dat je daar te spreken kreeg wie je spreken wilde, - maar dat ieder de zorgen en vreugden van zijn hart mee nam naar zijn tent of zijn hut, ook al woonde hij daar met genoten samen: niemand durfde erkennen, dat hij in een verborgen hoek van zijn wezen eenzame éénling gebleven was, maar ieder wist het voor zichzelf, in zijn eerlij kste ogenblikken.
Ze wasten zich het stof en het zweet van gezicht en handen, buiten de houten hut, die de eetzaal was, en zetten zich op banken aan ruwe houten tafels. Een jonge vrouw droeg eten aan, dat ze op de tafels neerzette, en ieder bediende zich op zijn émail bord. Het was van een uiterste soberheid, maar Joseph had honger en was gelukkig, aan een tafel te zitten na een week van omzwervingen.
„Met wie moet ik praten over mijn plannen?” vroeg hij de jonge man. „Wie geeft hier leiding?” „De vergadering van leden geeft hier leiding,” zei de jongeman trots.
„Maar ik zal toch met één moeten praten!”
„Die daar zit,” - hij wees naar een even jonge man, maar met meer rijpheid in zijn sterke gezicht, - „is op ’t ogenblik de leider van onze vergaderingen. Ik zal hem voor je vasthouden als hij weg mocht lopen.” Zo stond Joseph dan na zijn maaltijd, moe en
*37