„Uit Jeruzalem.”
„Hoe lang ben je daar?”
„Een half jaar.”
„Waar kwam je eerder vandaan?”
„Holland.”
„Holland?”
Even een verbaasd zoeken in de herinnering, waar dat zowat was; dan:
„Holland? Zijn daar ook Joden?”
„Je ziet het.”
„Hoe hebben de Joden het daar?”
„Heel goed; ze zijn er burgers tussen de burgers.” „Geen vervolgingen?”
„Nee.”
„Geen Joden-belastingen en beperkingen?” „Nee.”
„Dan zullen ze wel vergeten zijn, dat ze Joden waren.”
„Je ziet van niet; ik ben hierheen gekomen.”
De jonge man, onder het voortlopen, keek hem aan.
„Ja, waarom ben je hierheen gekomen?” „Waarom ben jij hierheen gekomen?” vroeg Joseph terug.
Toen glimlachten ze beiden; over de afstand van landen-van-herkomst heen hadden ze elkaar herkend.
„Ik neem je mee naar de eetzaal,” zei de ander. „Ik ben op weg er heen.”
136