te komen. Joseph verbaasde zich het meest over de gelatenheid, waarmee deze mensen iedere hindernis namen en over de tevreden vaststelling van het feit, -toen ze de ergste moerassen en de huilendste wildernis achter zich hadden, - dat het een bizonder voorspoedige reis was geweest en dat ze dat misschien wel te danken hadden aan de aanwezigheid van die lange Hollander, die nog dokter was bovendien.
En toen zetten ze hem af bij een groep tenten en hutten, omgeven door prikkeldraad, en zeiden, dat hij hier moest wezen. Hij nam afscheid van ze, alsof ze jarenlang vrienden waren geweest, en zij zetten hun langzame tocht voort.
Joseph liep met lange passen op het prikkeldraad toe, en bad, dat dit het huis mocht zijn voor hem en de drie, die hij had achtergelaten.
*
Hij sprak de eerste die hij tegenkwam in het Hebreeuws aan: een bonkige jonge man, die weldadig naar koemest rook en er ook naar uitzag. Dat opende hem dadelijk de toegang: ze waren het nog niet gewend, dat een vreemde het gesprek in Hebreeuws opende, - wel heel langzaam en voorzichtig Hebreeuws, maar dan toch de taal, die het stempel drukte op de richting, die de vreemdeling in wou slaan.
„Waar kom je vandaan?”
135