„Heb je wapens bij je?” was zowat het eerste woord dat de voerman tot hem richtte.
Joseph voelde met een reflex-beweging naar zijn stethoscoop en schudde het hoofd.
„Hoe wil je dan komen waar je wezen moet? Je zult ze onderweg ontmoeten, die wèl wapens bij zich hebben.”
„Ik wist het niet; ik schaam me,” was al wat Joseph kon aanvoeren, en hoopvol voegde hij eraan toe: „Misschien vind ik onderweg wel een stok.” De man lachte opeens een gulle, luide lach, werd daarna weer ernstig en troostte zichzelf en Joseph met: „Nou ja, je bent groot en sterk, - misschien is in jouw handen een stok wel genoeg.”
In de dagen die volgden, - de zwerftochten na Afoeleh, - moest hij er vaak aan terug denken. Niemand in Afoeleh stond hem toe, de tocht alleen voort te zetten, en zo moest hij er twee dagen wachten tot een groep de reis ondernam in een paar karren met paarden ervoor. Ze waren allen gewapend en drukten ook hem een revolver in de hand, waar hij, weinig ervaren, als een recruut mee moest oefenen eer ze op weg gingen. Ze kwamen maar één armzalig groepje rovers tegen, die ze met wat vertoon en schoten in de lucht kwijt konden raken zonder tot werkelijk gevecht over te hoeven gaan, maar paarden en wielen bleven enige keren in de moerassige bodem steken en dan werkten ze met z’n allen uren om er weer uit x34