de grondslag van de daad van dertig jaar geleden, veranderde in het duidelijk streven naar eigen welvaart, zonder belangstelling voor wat eerst het doel was geweest: de ontginning van het land. De kinderen van toen waren opgegroeid tot bezittende boeren, die lachten om de dwazen die zich een persoonlijke kans lieten ontglippen. Er was iets fout, en Joseph zou door het land zwerven tot hij de gemeenschap zou vinden, waar zijn kinderen niet het offer van die fout zouden worden.
Alsof de oude man zijn gedachten had gehoord, zei hij, fluisterend, opdat de kinderen het niet zouden horen:
„Zoals jij, zo was ik dertig jaar geleden. God ze-gene de baron, - maar doe jij het anders,”
„Ja, ik zal het anders doen,” zei Joseph.
Hij zei het nog eens, met een knik van verstandhouding, toen hij in de morgenschemering in de wagen klom van een buurman, die weliswaar niet naar Haifa, maar door een dwarsdal dieper het land in moest, naar Afoeleh, en dat was in elk geval in de richting van die nieuwlichters daar in het noorden, zeiden ze. De oude man fluisterde een zegenspreuk, en Joseph voelde zich begeleid door die zegening, toen de wagen weghotste, en later, toen hij over paden bonkte, die waarschijnlijk door ezelpootjes en kamelenvoeten waren platgetreden en niet voor rij-verkeer waren bestemd.
133