de Ottomanse wet een vanzelfsprekende zaak, dat zijn geld in de handen van de Turkse regering viel. De groep bleef volkomen berooid achter, en het land was nog niet aan opbrengst toe.
Er werden meer kinderen geboren. Ze wisten niet waartoe, - als ze die kinderen en hun moeders toch niet te eten konden geven. Als er ernstige ziekte was, betekende dat dood, want verbinding met de stad en een hospitaal was er niet en voor geneeskundige hulp waren ze aangewezen op oude, bijgelovige Arabische vrouwen, die met kruiden en toverspreuken werkten. En honger was er, altijd honger, al trokken de mannen er op uit om zich als arbeidskrachten te verhuren.
In hun nood schreven ze smeekbeden om hulp naar de landen van Europa, waar grote Joodse gemeenschappen waren. Eén brief trof doel: er kwam een man uit Frankrijk om kennis van de toestand te nemen en toen die gezien had, hoe het met hen stond, beloofde hij, zich te wenden tot de jonge Joodse filantroop in Parijs, Baron Edmond de Rothschild. Lukte het hem, de baron voor hen te interesseren, dan was er een uitkomst; lukte het hem niet, dan deden ze beter, hun vrouwen en kinderen de rotsen af, door de kustvlakte naar de zee te brengen en ze daar te verzuipen.
„Het lukte hem,” zei de oude man. „De baron heeft ons gered.”
131