„Dat is niet de bedoeling,” zei Joseph kort.
„Zei je niet, dat je vrouw en kinderen had?” vroeg de man, scherper dan hij misschien wilde.
Eén ogenblik had Joseph het beeld van Dina en de beide kinderen voor ogen, zoals hij ze drie dagen geleden had achtergelaten: Dina, een beetje bleek, maar met een moedig lachje. Dina, die het doktershuis in het gezeten dorp had achtergelaten, en de tuin met bomen en schaduw en bloemen en groenten. Dina, die iedere dag water zou moeten aanslepen, alleen, zolang hij onderweg was, - Dina, die de zware vracht op zich nam van wat hij nastreefde. Zou Dina liever hebben, dat hij goud verdiende, als hij dat werkelijk zou kunnen? Nee, - nee, - zo was ze niet.
Hij wendde zich onverhoeds tot de oudere man, de vader van een zoon, die als tweejarig kind hierheen was gesleept.
„Wilden jullie goud verdienen, toen jullie groep naar dit land kwam? Hoe lang is het geleden? Dertig jaar zowat?”
De man schrok even en keek zij delings naar zijn zoon. „Ja, dertig jaar. Goud verdienen?” - hij grinnikte even, - „nee, dat was niet de bedoeling. Goud verdienen konden we ginds wel.”
Joseph leunde voorover, zijn ogen onderzoekend op de oudere man gericht.
„Jullie hadden vrouwen en kinderen, hè?”
De man knikte, half beschaamd.
129