vóór een boerderij, en had wel eens eerder horen zeggen: „Je kunt hier overnachten, dokter.” Maar zó door elkaar gerammeld was hij nog niet van een wagen gestapt, en zó misplaatst had het woord dokter hem nog nooit geleken. In de drie dagen, dat hij onderweg was, had hij zijn dokterschap vergeten; hij geloofde, dat hij aan het eind van zijn reis meer met koeien dan met de zieken te maken zou hebben. Maar de huisgenoten van zijn gastheer, de oude vader, de jonge vrouw, hadden de titel „do>kter” opgevangen; dat was ook de bedoeling van de man geweest, want de hele weg door, nadat hij het beroep van zijn gast had geweten, had hij hem niet zo aangesproken. Ze haalden hem met gastvrijheid en wat respekt in, en binnen het uur werd er een zwerende nagel geproduceerd, waar hij zijn kundigheden op kon vertonen.
„Hebben jullie hier geen dokter?” vroeg hij.
„Jawel, de laatste jaren wel. Maar die haal je niet bij een zwerende nagel.”
Met innerlijke pret zette Joseph zich aan de curerende taak, die hem een rechtmatige betaling voor de gastvrijheid scheen te zijn. De familie keek goed toe, en toen ze de ervarenheid van zijn vingers hadden gelezen, knikten ze tegen elkaar. Joseph onderschepte die knikjes en wist, dat hij gewogen en zwaar genoeg bevonden was.
„Man, je zoudt goud kunnen verdienen!” zei de jongere heer des huizes bewonderend.
128