„Dat is niet wat ik zocht,” zei Joseph kort en verviel in zwijgen.
Ze spraken niet veel meer, al de uren van hun moeilijke reis.
Toen de zon, tot hun grote verlichting, in felheid afnam, reed de wagen over een houten vlonder, die een helder stroompje overbrugde. De lieflijkheid van het stroompje tegen de barre achtergrond van plotseling rijzende rotsen deed Joseph opveren uit zijn moede versuffing.
„Wat voor rotsen zijn dat?” vroeg hij zijn tochtgenoot.
„Het eind van de Karmel. Nu zijn we gauw thuis. Zichron ligt op de Karmel.”
Het pad ging omhoog aan de binnenkant van de rotsketen. Verder het land in was een zacht-glooiende vlakte, in het oosten omlijst door de teder-gebogen silhouetten van een heuvelreeks, die rozig afstak, in het licht van de ondergaande zon, tegen de pure oosterhemel. Bij het stijgen werd in het westen een rand van de zee zichtbaar, blinkend in de rossig-ach-tergelaten stralen van de verdwenen zon. Joseph wenste Dina naast zich om met hem deze betovering te ondergaan.
Met een ruk hielden de paarden stil.
„We zijn er,” zei de voerman. „Je kunt hier overnachten, dokter.”
Joseph was wel eens eerder van een wagen gestapt
127