De man zat te schudden van de lach.
„Reis jij maar door, in je eentje in het donker. Dan kom je nooit meer bij je vrouw en kinderen terug, want dan zal morgen wel de één of andere herder je naakte lijf ergens in de bergen vinden.”
Ondanks het lachen was het te horen, dat dit ernst was. Hij zou er van moeten afzien, in het donker te reizen. Als hij vanavond in Zichron aankwam, mocht hij van geluk spreken, - en als hij in een week zijn doel bereikte, had hij een voorspoedige reis.
„Goed, - als ik je gast mag zijn voor deze nacht...” „Met plezier. Werk heb ik niet voor je, maar een onderdak nog altijd wel. Je zult toch geen werk bij ons zoeken, wel?”
„Ik ga immers naar zo’n kibboets?”
„Dan is het goed. We hebben genoeg aan de Arabische werkers, en die zijn veel goedkoper dan jullie.”
„Jullie” - wie was jullie? Zij die hun kinderen niet met een steen om de nek in zee wilden verzuipen en toch ook niet bij de Baron om hulp wilden aankloppen? Het duizelde hem een beetje.
„Wat voor werk doe je al zo?” vroeg de man naast hem.
„Dokteren, - en koeien melken.”
„Dokteren? Ben je een dokter? Maar man, dan hoef je het immers zo ver niet te zoeken? Dan kun je overal terecht, en goed terecht ook.”
126