„En nog altijd spreken jullie geen Hebreeuws?”
„Bij ons niet. Wij zijn niet zulke nieuwlichters. En we hoeven geen nieuwe taal te leren ook: in een ommezien spreken de Arabieren Jiddish met je mee.”
Ergens klopte iets niet: „we zijn niet zulke nieuwlichters” - en de ouders van deze man waren naar dit land gekomen, en hadden zelfs een boerenbedrijf opgezet, toen de drang naar Tsion nog niet begonnen was, vat op het Joodse volk te krijgen. Hadden de progroms hen in plaats van naar Amerika en Europa, naar Palestina gedreven? Hij kon het deze man niet vragen: hij was als tweejarig kind hierheen gebracht; hij kon niet spreken van een wil en een verlangen, of van een dwang en een noodzaak.
„Zeker nieuw in het land?” vroeg de man naast hem.
Joseph knikte.
„Nou moet je goed opletten,” zei de boer. „Je zult er nog wel eens aan denken, wat ik je nu zeg: die beweging van die daar in het Noorden, dat wordt niets. Ze hebben geen idee van geld verdienen. Ze staan niet met hun voeten op de grond. Ze werken zich half kapot en ze krijgen er niets voor in hun handen.”
Met een glimlach bedacht Joseph, dat hij wel eens eerder in zijn leven zó had horen spreken. Wanneer? O, in duizend verschillende vormen. Toen hij student was geweest, had Barend Keuning gevraagd: „streef
123