De postwagen ging niet verder dan Jaffa en Joseph moest een nieuwe vervoergelegenheid zoeken. Het duurde een dag eer hij met een wagen mee kon rijden, die in de richting van Haifa reed. De man had vracht uit Jaffa gehaald, die hij naar zijn boerderij in Zichron Jaakov moest brengen, maar al was de wagen vol en al hadden de paarden veel te trekken, er was nog wel een plaats naast de voerman, waar Joseph tot Zichron mee kon rijden.
De man was niet veel ouder dan Joseph, en daarom hoopte Joseph, dat hij misschien Hebreeuws zou spreken, maar toen hij zich in een langzame, voorzichtige, door wagenschokken onderbroken Hebreeuwse zin tot hem wendde, schudde hij het hoofd.
„Wij spreken geen Hebreeuws,” zei hij in ’t Jid-dish. „Dat is iets voor die in het noorden, die kib-boetsiem. Wij houden ons maar aan het Jiddish, - en Arabisch, voorzover onze Arabische arbeiders nog geen Jiddish spreken.”
„Ik ben op weg naar die daar in het noorden,” zei Joseph.
„Dat dacht ik al,” lachte de man. „Als iemand in het Hebreeuws tegen me begint, weet ik al, hoe laat het is.”
„Maar je bent toch al lang in het land, als je een boerderij hebt?”
„Ik was twee jaar oud, toen ze me hierheen brachten, en mijn broer is hier geboren.”
122