HOOFDSTUK VIII
De paarden kenden de weg wel uit het hoofd, met alle scherpe bochten en alle afgronden, waarmee ze plotseling geconfronteerd werden. De man vóór in de postwagen kende de weg gelukkig ook uit het hoofd, wat niet wegnam, dat zijn aandacht geen ogenblik mocht verslappen. De reizigers, waar Joseph één van was, wisten hoe gevaarlijk de weg was en moesten blind op God en op de voerman vertrouwen, om niet bij iedere bocht van schrik ineen te krimpen. Een paar baardige grijzaards lazen halfluid het gebed voor de reis, en die om hen heen zaten stemden in met een telkens herhaald „amén”. De oude, gerimpelde vrouw, die naast Joseph zat, zing-zong in zichzelf; Joseph begreep, dat ook dit een gebed was en neerkijkend in de wilde, prachtige diepten dacht ook hij „amén”. Hij herinnerde zich de tocht in omgekeerde richting, toen hij met Dina en de kinderen, nog niet hersteld van de zeeziekte, van de haven in Jaffa naar Jeruzalem was gereisd. Ze waren toen te ziek geweest, om veel te beseffen van de gevaren; als de wagen helde of schokte, dachten ze heel gelaten, dat nu het eind wel zou komen, en ze vonden het maar goed ook, omdat ze toch met elkaar waren