Met bijna komische schrik herhaalde hij: „Je man?” „Mijn man. Hij kan nu iedere dag thuiskomen.” „Ik dacht, dat je een weduwe was, of een verlaten vrouw.”
Toen hij weg was, bleef dat laatste woord naklinken in de kamer: een verlaten vrouw.
„Ben ik dat?” vroeg ze zichzelf.
De vraag bleef in haar rondwoelen tot in de droom.
“7