Tenslotte lukte het toch; Dina kon de volgende morgen een medicijn bij hem afhalen, zei hij. Verlicht dat het voorbij was, stopte Dina het kind in en liet het gordijn, dat de slaaphoek van de kinderen afschutte, met een zucht vallen. Hij haalde uit één van zijn zakken een doosje te voorschijn, waaruit hij een pilletje aan Dina gaf.
„Als ze hoest, mag je haar dit alvast geven.”
„Ik heb bijna geen geld,” waarschuwde Dina nog eens.
Hij legde zijn ongewassen handen op haar schouders en herhaalde: „Dat hindert niet, mijn kind.” Toen streken zijn handen, van haar schouders, langs haar armen naar haar borsten, die hij met oude-mannen-begeerte betastte eer hij ze liet dalen langs haar heupen.
Een verlammende schrik deed haar een ogenblik weerloos toelaten, wat ze niet dadelijk begreep de betaling te zijn in plaats van geld. Toen week ze achteruit, tegen de muur, haar ogen in het lamplicht wijd van afkeer.
„Niet doen, - niet doen,” stamelde ze.
„Kom, kom,” zei hij, de handen gereed, „ik zal je kind voor niets behandelen..
Ze herstelde zich, richtte zich op en zei, duidelijk fluisterend:
„Mijn kind hoeft niet verder behandeld te worden. Als mijn man thuiskomt, zal hij haar verder behandelen. Hij is zelf dokter.”
116