volgen, en toen trokken de buurvrouwen de handen van haar af: ze moest het nu maar zelf weten.
Aan het eind van die eerste ziekte-dag vond ze een oude dokter, die van zijn jeugd af in deze omgeving gedokterd had. Toen ze hem in haar kamer zag, oud en onverzorgd, schrok ze wel een beetje; toen hij met ongewassen handen het onderzoek begon, schrok ze nog meer. Maar zonder dokter kon haar kleine meisje toch niet blijven. Het leek op de één of andere manier beledigend voor de oude man, te zeggen dat haar eigen man arts was; het enige wat ze zich verplicht voelde te zeggen, met haar Hollands begrip van niemand-erin-laten-lopen, was: dat ze bijna geen geld had. Hij bekeek haar van het hoofd tot de voeten, eer hij gemoedelijk antwoordde:
„Dat hindert niet, mijn kind.”
Chaia was bang voor die vreemde man en huilde; hij riep met luider stem in het Jiddish, dat ze stil moest zijn, en toen huilde ze nog meer. Dina nam haar dicht tegen zich aan en streelde haar, maar het onderzoek werd er niet door vergemakkelijkt.
„Vader moet me luisteren!” riep Chaia, en Dina fluisterde haar in, dat een andere keer vader haar zou luisteren, maar dat deze keer die oude opa het moest doen.
„Het is geen opa!” mokte het kind. Het was ook helemaal geen opa, moest Dina haar zwijgend toegeven.
”5