dische taal, die dan de enige menselijke taal voor haar zou worden, aan de hete dagen, aan de eenzame nachten, aan de angsten om de kinderen, die ze met niemand zou kunnen delen, - en ze dacht ook, één ogenblik, aan het huis en de tuin en het dorp en de omringende genegenheid die ze hadden achtergelaten.
„Ik ben zo bang.”
Ze kroop tegen hem aan als een klein meisje, en hij had geen antwoord, dat haar gerust kon stellen, dan een troostend strelen en gefluisterde woorden zonder zin. Voor het ogenblik weken de beelden der eenzame nachten; voor het ogenblik was hij er nog.
„Daarna,” zei hij, „als ik terug kom en jullie mee neem, dan blijven we op een plek, waar we wortel kunnen schieten. Daar moet je maar aan denken, als je het moeilijk hebt zonder mij.”
Ja, ze zou daar altijd aan denken, beloofde ze. Ze dacht daar al aan, nog vóór hij van haar weg was, -toen ze beiden tenslotte insliepen met de rust van een genomen besluit.
Het duurde nog weken, eer hij zijn besluit kon uitvoeren, en die weken waren zó vol werk, dat Dina noch hij veel tijd hadden om aan de naderende scheiding te denken. Ook toen hij de reis met de primitieve vervoermiddelen en de vage bestemming begonnen was, werd Dina te veel in beslag genomen
IIO