werken. Ik wil met anderen samen werken; alléén kan ik het niet meer. Alléén vergeet ik, wat ik gewild heb.”
In het laatste jaar in Holland, toen ze hun voelhorens hadden uitgestoken, was het gerucht tot hen doorgedrongen van jonge nederzettingen, begonnen door een handvol baanbrekers, waar de eeuwenoude verhouding werkgever-werknemer opgegeven was om plaats te maken voor een volkomen samenwerking, die alle bezit, alle zorg, alle werk als gemeenschappelijk beschouwde. Het leek hun, zo ver weg, te onbekend en onbereikbaar om er tevoren contact mee te zoeken; meer dan een vaag gerucht was het niet geweest. Brieven en vragen en antwoorden hadden hen naar Jeruzalem geleid, - en eerst nu wisten ze, dat Jeruzalem hun werkelijk einddoel niet kon zijn. Het was niet nieuw voor Dina, dat Joseph over die nederzettingen sprak, - ze wist alleen niet, of het haar aantrok of afstootte, maar ze was tot alles bereid, dat hun eigenlijke bedoeling kon verwezenlijken.
„Blijf je niet te lang weg?” vroeg ze klein.
„Geen dag langer dan nodig is om een nest voor jou en de kinderen te vinden,” zei hij. „Maar de reis kan lang duren.”
Ze dacht aan het holle, stenen huis, aan de kruiken en emmers water, die ze alleen zou moeten aanslepen, als er water zou zijn tenminste, aan de vreemde Jid-
109