HOOFDSTUK VII
Grijs waren de huizen, grijs was het stof, grijs waren de zware muren om de oude stad en grijs waren de rotsen. Maar blauw was de koepel van de hemel, genadeloos blauw, beheerst door de verblindende zon; en diep-donker fluweel was die koepel bij nacht, als de sterren wemelden in een nog nooit gekende veelheid en als de maan de huizen, de muren en de rotsen in een witte tovering omvatte.
In de holle stenen kamer, waar ze met z’n vieren in waren getrokken, leken de meubelen misplaatst: hier hoorden kleurige kleden in plaats van bedden, divans in plaats van stoelen; alleen de koperen lamp, die Joseph in de nauwe, overladen, kleurige steegjes van de oude stad had gekocht, en die met zijn bevend olie-licht ’s avonds hun gezichten verzachtte en de ruwe stenen wanden geheimzinnig verdoezelde, paste in het beeld.
In de ruimte daarnaast, waar ze zich wasten en waar Dina kookte, moest het water, als het er tenminste was, in aarden kruiken en emmers binnen worden gedragen. Al wat gewoon was geweest in hun vorig bestaan, - een pomp, die water plensde in een blinkende gootsteen, kamers om te eten, om te
103