der geweten. Hij keek van het éne oude gezicht naar het andere, opende de mond om iets te zeggen, maar schudde het hoofd bij die vergeefse poging.
„Je moet niet met kleingeld rekenen,” zei de vader, met een hoofdbeweging naar de winkel, waar de la vol kleingeld was. „Van het kleingeld leef je vandaag en morgen. Het grootgeld beleg je ergens in. Ik heb mijn grootgeld belegd in de dingen, die ik niet beleef en jij misschien ook niet. Vandaag, - vandaag, nu je ons dit bent komen zeggen, haal ik de eerste rente binnen.”
„En je hebt altijd zeker geweten, dat je het goed belegd had?” vroeg Joseph, gespannen.
„O ja,” zei de vader, en toen spraken ze verder over Dina en de kinderen.
Toen hij weg ging, beloofde hij, dat ze in dit jaar vaak bij elkaar zouden komen. Onuitgesproken dachten ze er alle drie aan, dat ze elkaar na dat jaar wel niet meer zouden zien.
Hij liep het marktplein op en keerde zich om. In de winkeldeur stonden die twee naast elkaar en wuifden. Ze waren een eenheid.
Joseph wist, dat hij dit beeld mee zou nemen naar het verre land. Hij zou het daarheen overplanten en in de schaduw ervan bescherming vinden, - hij en zijn kinderen.
102