„Maar vader!” zei Joseph verschrikt. „Het is de tempel niet, die ik help herbouwen, - ik help alleen, het land een beetje bewoonbaar te maken voor het Joodse volk, dat zeker later naar huis zal komen!” „Natuurlijk, jongen. Maar hoe kan de tempel worden herbouwd in een leeg land? En zonder de mensen, die thuis komen? Ik weet heel goed wat ik zeg: mijn zoon helpt de tempel herbouwen, en ik heb dit mogen beleven.”
Het was zo vreemd, dat Joseph hier moest temperen in plaats van verdedigen. Hij zei, alsof hij de oudere was:
„Maar de herbouwvande tempel beleven jullieniet, jullie niet en ik niet. De bevrijding van het land niet eens. Misschien niet eens de grote thuiskomst van het volk.”
De vader glimlachte.
„Ben je zó ongeduldig? Nu kan ik zien, hoe jong je nog bent. Wat komen honderd jaar er op aan, als we zo veel maal honderd jaar hebben gewacht? En wat komt het er op aan, of jij het toevallig beleeft? Als het Joodse volk het maar beleeft!”
Hij had geen antwoord, de grote zoon. Ze hadden zelden over deze dingen gesproken, toen Joseph een jongen was; de ouders hoorden niet tot de uitgesproken wetsgetrouwen, droegen hun Jood-zijn diep in het hart, als een positief bezit. Dat het zó de wensen van zijn vader had beheerst, had Joseph niet eer-
IOI