zich met een zwijgende glimlach verontschuldigde. Hij vertelde van de noodzaak, om iets meer dan dokter te zijn, - van de kans, die hij kreeg om ook op andere wijze nuttig te zijn, als dat nodig was, - en hoe door die kans zijn besluit geboren was.
„Ze zeiden ‘amen’, de boer en zijn vrouw, - ze herkenden het uit de Bijbel.”
„Amen,” zei de vader, „ik herken het ook.”
„Jij ook?” vroeg Joseph ontdaan.
Was dit het eerste, wat zijn vader te zeggen had? Geen raad, - geen bezwaren, - alleen een herkennen? God, wat groot en rijk waren deze mensen!
„En Dina?” vroeg de moeder, omdat Dina en zij beide vrouwen waren.
„Dina is als jij, moeder,” zei hij glimlachend, en dat was het antwoord.
De vader stond op en wendde zich af. Hij keek door de ruitjes naar de binnenplaats, maar Joseph wist, dat er niets voor hem te zien was en dat hij alleen zijn gezicht wilde verbergen. Toen hij zich weer naar de kamer wendde, straalde zijn bleek, oud gezicht en beefden zijn lippen.
„Dat ik dit beleven mag,” zei hij schor. „Ik heb niet veel gebeden in mijn leven, maar in die paar gebeden kwam het toch altijd neer op: terugkeer en herbouw van de tempel. Dat ik dit beleven mag: dat mijn eigen jongen de tempel mag helpen herbouwen.”
IOO