84
21. JOUM KIPOER.
De timmerman was bezig, in den tuin de hut te bouwen. Want kort na Joum Kipoer zou het Soekous zijn, en dan moest de soeko er al staan.
Jaap stond er den heelen tijd naar te kijken. En als de timmerman den nijptang noodig had, mocht hij hem aangeven.
En binnen, in de kamer, zat Moeder te naaien. En onderdehand vertelde ze Eva van Joum Kipoer.
״Joum Kipoer, — kijk, Eva, alle menschen doen wel eens slechte dingen. En dikwijls hebben ze daar later erge spijt van. Als het nieuwe Joodsche jaar begint, denken ze: ״ ״Wat jammer, dat ik in het vorige jaar slechte dingen heb gedaan. Ik hoop, dat het in 't volgende jaar beter gaat.” ” En dan komt Joum Kipoer. Op dien dag vasten de menschen, en willen den heelen dag aan niets anders denken dan aan God en aan wat ze voor slechts hebben gedaan. En ze willen God eerlijk alles zeggen, wat ze gedaan hebben. Want als je eerlijk zegt, wat je gedaan hebt, is het al veel minder erg.”
״Ja,” dacht Eva. Maar ze zei niets.