81
Toen was er iets leelijks gebeurd. En dat wist niemand, — Moeder ook niet.
Ze had gejokt. Tegen een meisje op school had ze gejokt. En ’t was heelemaal niet noodig geweest.
Maar dat meisje had ook zoo opgeschept met thuis. Ze had gezegd, dat bij hun thuis alles zoo mooi was. Nou, bij Eva thuis ook.
״Maar bij ons in de huiskamer,” had het meisje gezegd, ״daar ligt zóón mooi kleed op den grond."
״Bij ons ook,” had Eva gezegd. En dat was waar.
״En er staan twee zulke mooie leunstoelen."
״Nou, bij ons ook.” Dat was ook waar.
״En zóó ,n mooie piano.”
״O, — bij ons ook.” En dat was niet waar.
Waarom had ze dat gezegd?
Ze vond het zoo gek, dat zij geen piano hadden. En nu ze ,t eenmaal gezegd had, kon ze niet meer zeggen, dat het niet zoo was.
Daar moest ze nu aan denken, nu ze haar rousj-hasjono-brief ging schrijven.
Wat moest ze schrijven?
Dat ze het volgende jaar heel zoet zou zijn?
6