19. BANG.
75
Eva en Jaap hadden al een poos geslapen. Maar ineens schrikten ze allebei wakker.
Hè, wat een donderslag was dat!
״Eva,” fluisterde Jaap.
״Ja, Jaap.”
״Ben je wakker?”
״Ja Jaap."
Hè, het bliksemde. En weer een donderslag. Jaap begon zacht te huilen.
״Ik ben bang,” zei hij.
Eva zei niets. Ze was wel geschrokken. En een klein beetje bang was ze ook wel.
Weer bliksem. En weer donder. Toen huilde Jaaip hardop.
Moeder kwam eens kijken.
״Ik ben bang,” zei Jaap.
Moeder schoof, zonder iets te zeggen, de twee bedjes dicht bij elkaar, en ging ertusschen zitten. ״Ik wou op uw schoot,” huilde Jaap.
״Nee,” zei Moeder, ״in je bedje is ’t veel lekkerder." ״Ik wou toch op uw schoot," zei Jaap weer. ״Nee,” zei Moeder, ״ik kom wel bij jullie zitten,