98
24. ״ALS IK GROOT BEN.”
Vader en Moeder en Jaap en Eva zaten aan tafel.
Jaap at met groote happen zijn boterham op.
״Nou lust ik niet meer,” zei hij, toen hij er één op had. En anders at hij er altijd drie, zulke dikke.
Moeder wist wel, waarom hij niet meer lustte: hij was straks bezig geweest met zijn bouwdoos, en nu verlangde hij zóó erg terug naar den toren, waaraan hij bezig was, dat hij niet langer boter-hammen wou eten.
״Goed,” zei Moeder. ״Je hoeft niet meer te eten. Maar dan kun je ook niet groot worden.”
״Ik wil niet groot worden,” zei Jaap.
״Wil jij niet groot worden?” zei Vader. ״En toen je de touro mocht vasthouden, was je zoo blij, dat je groot werd!”
Jaap dacht even na.
Toen hapte hij maar in zijn tweede boterham.
״Als ik groot ben, mag ik dan altijd de touro vasthouden ?”
״Wel eens een keertje.”