99
״Als ik groot ben,” vroeg Eva, ״wat mag ik dan doen?”
״Wat wil je worden, als je groot bent?"
Eva wachtte een poosje, met eten en met praten. Want ze moest denken.
״Ik weet het,” zei ze.
״Wat dan?”
״Een Joodsche moeder.”
״Waarom?”
״Nou, dan mag je — dan mag je net doen zooals moeder. Dat is wat fijn, hoor!”
״En ik word een Joodsche vader,” zei Jaap.
״Weet je wat?” zei Vader, ״worden jullie maar allebei Joodsche menschen. Maar dan moet je eerst flink boterhammen eten.”
״Hap!” zei Jaap.
״Hap!” zei Eva.
Want zoo moesten ze Joodsche menschen worden.