91
״O, het loelov en de esroug!” riep Eva.
Ze kwam gauw erbij om te kijken: die mooie esroug, net een groote citroen, die heerlijk rook, — en het 10e-lov: de hooge, fijne palm-tak, en de mirtetakjes, waar-van de blaadjes ook al zoo heerlijk roken, en waar een enkel klein mirtebloempje aan zat; en benedenaan de kleine, zilvergroene wilgetak-jes.
mm
״Waarvoor is het eigen-lijk?” vroeg Eva.
״Eerst moet je me vertel-Ien, wat voorberocho je over het loelov zegt.”
״Dat weet ik nog wel van verleden jaar:
vmm ?רוןי אתה:יי אלהינו מ£ד העולם א#ר קדשנו רעונו על נטילת לולב: