HOOFDSTUK XII
„Janus, kind, wat zie jij d'r best uit!”
Ze stond glunderend op de stoep van de mevrouw van Knulletje, — de stoep, die ze zoo dikwijls gedweild had. Hij zag er net zoo helder uit als vroeger, moest ze bekennen.
„Waarom ben je niet eerder eens gekomen?” verweet mevrouw, terwijl ze Jantje de huiskamer binnenloodste.
„Ik ben één keer geweest, maar toen was het zulk mooi weer, toen was er niemand thuis. En toen... toen durfde ik eigenlijk niet zoo gauw weer.” „Nog geen haar beter dan vroeger,” hoofdschudde mevrouw.
Jantje keek begeerig de huiskamer rond. Stond alles nog op dezelfde plaats? Maar er was toch iets veranderd, — er was minder ruimte...
Nu zag ze het. In een hoek, waar vroeger een diepe stoel had gestaan, prijkte nu een loophek, met een matras en een beer en een gummi olifant en een broodkorstje en een paar leege garenklosjes.