198
En nu zei mevrouw... zou dat waar zijn? Dat ze dat andere van moeder in zich had? Dat het gezicht en de stem er niet op aan kwamen?
Natuurlijk was het waar. Anders zou deze mevrouw het niet zeggen, — deze moeder. En als het waar was, — o, dan had ze moeder weergevonden, nu, op dit oogenblik!
„Ik wist het niet,” zei ze, en nam haar werk weer op.
Na een poosje vroeg mevrouw:
„Maar het is toch wel erg prettig voor jou en Bart, dat tante er is, hè?”
„Ja,” knikte Jantje langzaam. „Erg prettig. Tante is zoo'n best mensch. Maar...”
„Maar?”
,/k Weet niet.”
Even later:
„Ik zou bijvoorbeeld nooit „moeder” tegen tante kunnen zeggen. Ik denk nooit „moeder” als ik aan tante denk. En je wilt altijd zoo graag „moeder” denken.”
„Ja?”
Toen schrok Jantje, dat ze zooveel gezegd had. Hoe durfde ze! Wat moest mevrouw wel denken! Had ze er niet bijna uitgeflapt, dat ze altijd aan mevrouw dacht met het woordje „moeder”? O, als ze dat toch gezegd had, — ze had haar nooit meer