i6i
Ze stapte af, al wist ze toch wel, dat ze niet aan de school durfde vragen, of meester Bos er al was. Alleen maar even wachten, dat mocht toch wel?
En terwijl ze dat dacht, kwam meester Bos de hoek van de straat om. Ze zag hem dadelijk, — zoo lang en zoo recht en zoo rustig liep er niet één, en z'n groote grijze snor herkende je al uit de verte. Ze fietste naar hem toe, en stond verlegen tegenover hem, vóór ze ’t zelf wist.
„Hééé, Jantje, — ben je al zóó vroeg bij school?” „Ik ga vandaag in m’n nieuwe betrekking. Ik hoef er pas om half tien te zijn.”
„Dat komt prachtig uit. En hoe is ’t gegaan tot nu toe?”
Hij nam haar zoo heel vanzelf mee de school in, en in zijn klas moest ze vertellen hoe ’t gegaan was. Ze wist zoo gauw niet, waar ze beginnen moest, — bij al dat akelige van Meta, of maar dadelijk van mevrouw en Knulletje.
Ze begon bij Meta. Dat moest meester toch ook weten, — en ze merkte onder ’t vertellen, dat ze ’t al bijna vergeten was. Nu leek het lang zoo erg niet meer als toen het allemaal gebeurde.
„En toen kon ik er niet meer blijven.”
„Nee,” knikte meester, en ze was er blij om, dat hij het ook vond.
En ze vertelde van mevrouw en meneer en
Aan wal» n