H3
elkaar, maar toch vond Jantje het heerlijk, dat ze niet alleen was.
Ze at met vader en tante en Bart zwijgend een paar boterhammen. Ze moest flink zijn vandaag, — flink en uitgerust. O, ze was wel flink!
Op straat, een half uur vroeger dan anders, zag ze heel andere menschen dan iederen morgen. Ze stapte hard door, maar dicht bij het huis kreeg ze opeens weer de angst, dat ze ze wakker zou bellen.
Heel, heel zachtjes belde ze aan.
Ze hoorde de sleutel in de deur omdraaien, bijna dadelijk nadat ze had gebeld.
Daar was meneer, al heelemaal klaar, wel heel bleek en slaperig, maar vreeselijk blij.
„Goeiemorgen, Jantje! Er is een jongetje geboren!”
„Heusch?!?!”
„Geloof je me niet?” lachte meneer. „Je zult het anders straks wel zien!”
Ze vergat totaal, dat ze meneer nu eigenlijk feliciteeren moest met het jongetje. Ze dacht alleen: dus toch! eindelijk! Ze voelde alleen, dat alle narigheid van gisteren voorbij was, en dat nu toch tenslotte het kindje er was, waar ze allemaal zoo naar hadden verlangd.
„Zachtjes, hoor,” fluisterde meneer, toen ze in de ontredderde huiskamer kwamen, waar meneer
Aan wal. 8