„Ach wat!” roept hij. „Mijn moeder is tweeëntachtig en die zit iedere nacht in de schuilkelder!”
Zij hoort het, omdat ze vlak achter de oude vrouw heeft gelopen. Ze heeft opeens een wonderlijk gevoel van medelijden met die man, die zo brult en schreeuwt en zo hard is, omdat zijn moeder iedere nacht in de schuilkelder zit. Ze schaamt zich vreselijk, dat ze medelijden heeft met een groene, die geen medelijden heeft met één van hen. Ze zal het nooit durven vertellen.
Als ze eindelijk in de leeggeruimde garage binnen mogen, gaan ze op de grond zitten, zoveel mogelijk tegen een muur. Ze worden erg smerig, maar ze zouden niet langer kunnen staan. Hier is het tenminste koel.
Dan komt het lange in de rij staan om door een Duits oud juffrouwtje te worden nagekeken en betast, of ze niets in hun kleren verborgen hebben. Ach, ze hébben niets verborgen en ze zouden ook niets willen verbergen. Ze willen zo graag weg van hier, zonder iets, - hoe zouden ze dan nog iets willen verbergen?
Het is nacht geworden. De mannen zijn gekomen en onderzocht, - de ouden zijn met een vrachtauto gekomen, - er is brood gebracht en ze hebben gegeten, zittend in het stof van de garage de vieze handen afgeveegd aan hun kleren, - er is gepraat over indeling in coupés, hoewel ze bijna niet kunnen geloven in coupés, waar ze werkelijk een keer in zullen zitten, - een groene heeft reglementen voorgelezen voor onderweg, en daar kwam in voor van niet te veel alcohol drinken en ook iets van een restauratiewagen, en toen hebben ze allemaal gelachen als om een goeie mop, - er is veel gebeurd en veel voorbijgegaan, - maar zij is zó moe, dat ze haast niet meer weet, waarom ze hier is, in een vreemde garage, en niet in de vertrouwd geworden barak. Aan Palestina denkt ze helemaal niet meer. Zij en haar vriendinnetje zitten met de ruggen tegen elkaar geleund en slapen, korte slaapjes, die lang lijken telkens als ze wakker schrikken.
Als ze eindelijk goed wakker wordt geschud, hoort ze het bevel, dat haar vertrouwd is van iedere dag:
„In rijen van vijf!”
Het duurt minuten, eer ze begrijpt, dat ze niet op weg is naar de schoenentent, maar naar de vrijheid.
201